Psalm 108:14 Met God zullen wij kloeke daden doen, want Hij zelf zal onze tegenstanders vertreden.

Strijden zoals God duidelijk schrijft in zijn woord, heeft altijd regels die niet overtreden mogen worden. Jezelf niet wreken, is daar een van, wij moeten plaats maken voor Gods toorn, Hem komt de wraak toe, Hij zal het ons vergelden. Hij richt een dis aan voor de ogen van wie ons benauwen, Hij biedt hulp tegen welke tegenstander ook. Niemand kwaad doen, ook al is het een vijand, is de algemene regel die in het Koninkrijk van God toegepast moet worden. Vijanden liefhebben, is geen gemakkelijke opdracht, haat is wat zij oproepen, Gods liefde brengt alle haat tot zwijgen, Gods liefde tilt je boven alles uit. Bang zijn voor mensen spant een strik, maar wie op de Here vertrouwt, is onaantastbaar. Kloeke daden, zijn dappere daden, vanuit Gods Geest die kracht en wijsheid geeft, om de goede strijd te strijden, die overwinning brengt, in Christus Jezus, onze Heer.

Psalm 24:8 Wie is toch de Koning der ere? De HERE, sterk en geweldig, de HERE, geweldig in de strijd.

Mensenhulp is ijdel, Gods hulp sterkt en geeft leiding in de dagelijkse strijd die wij moeten voeren in de hemelse gewesten. Onze strijd is niet tegen vlees en bloed, maar tegen dat wat iemand kan vertegenwoordigen, namelijk duisternis en boosheid. Stand houden tegen verleidingen, in het onzichtbare of door een mens, kan alleen maar in de kracht van de Heer, en in de sterkte van zijn macht. In Jezus zijn alle machten en krachten ontwapend, Hij heeft ze openlijk ten- toongesteld, en zo over hen gezegevierd. In de wapenrusting Gods, zijn wij toegerust voor welke strijd dan ook, de Geest van wijsheid en openbaring zal ons leren wat te doen, om tot eer van God de strijd te voeren die noodzakelijk is.

Psalm 17:7 Maak uw gunstbewijzen wonderbaar, Verlosser van hen die voor tegenstanders schuilen bij uw rechterhand.

Ik heb U hartelijk lief, Here, mijn sterkte, o Here, mijn steenrots, mijn vesting en mijn bevrijder, mijn God, mijn Rots, bij wie ik schuil, mijn schild, hoorn mijns heils, mijn burcht. Geloofd zij de Here, roep ik uit; want van mijn vijanden ben ik verlost. Toen het mij bang te moede was, riep ik de Here aan, tot mijn God riep ik om hulp. Hij hoorde mijn stem uit zijn paleis, mijn hulpgeroep tot Hem drong door in zijn oren, Hij ontrukte mij aan mijn machtige vijand en haters.

Filippenzen 1:28a zonder dat gij u in enig opzicht door de tegenstanders laat beangstigen.